66-jarige man die meer moeite heeft gekregen met de ontlasting

Preview1E02XUM0-120x80

Jaap van Tol, 66 jaar, bezoekt het spreekuur. De huisarts kent hem al jaren als levensgenieter. Van Tol is door zijn vrouw naar het spreekuur gestuurd, omdat hij de afgelopen paar maanden 4 kilo is afgevallen. Zijn vrouw is bang voor suikerziekte. Tijdens het consult vertelt patiënt min of meer terloops dat hij de laatste tijd veel meer moeite heeft met de ontlasting; waar hij vroeger tweemaal per dag op vaste tijden ontlasting had, komt de ontlasting nu moeilijker en slaat hij wel eens een dag over.

Bij verder navragen heeft hij geen bloed of slijm bij de ontlasting gezien. Er is ook geen loze aandrang. Hij heeft ook geen pijn in zijn buik. Wel is hij de laatste tijd meer moe dan anders. De huisarts vraagt ook naar het voorkomen van darmkanker in de familie. Van Tol schrikt van deze vraag. Vervolgens antwoordt hij dat zijn moeder op 71-jarige leeftijd geopereerd is aan dikkedarmkanker. Ook heeft hij een oom aan moeders kant die is gestorven aan ‘een buik en lever vol met gezwellen’.

Late symptomen

Colorectale carcinomen geven over het algemeen pas laat symptomen. Symptomen zijn te onderscheiden naar algemene symptomen, zoals gewichtsverlies, moeheid en vage buikpijn, en specifieke symptomen. Deze meer specifieke symptomen zijn mede afhankelijk van de lokalisatie van de tumor in de darm. Rechtszijdige tumoren (coecum en colon ascendens) presenteren zich vaker door algemene verschijnselen als moeheid en malaise of als ijzergebreksanemie. Linkszijdige tumoren leiden vaker tot een veranderd ontlastingspatroon, verlies van zichtbaar slijm of bloed, krampende pijnen of obstructieklachten.

Soms kan de doorsnee van de ontlasting kleiner (smaller, keutels) worden. Rectumtumoren kunnen loze aandrang geven of het gevoel van een incomplete evacuatie. In enkele gevallen presenteert een colorectaal carcinoom zich acuut door een obstructie, bloeding of perforatie. De huisarts dient te vragen naar de hiervoor genoemde symptomen. Vanwege verhoogde risico’s moet de huisarts daarnaast vragen of er darmkanker of andere maligniteiten (zoals van de baarmoeder, maag, dunne darm, galwegen, ovaria, hogere urinewegen en talgklieren) in de familie voorkomen. De huisarts dient ook te kijken of bij de patiënt wel eens eerder poliepen zijn verwijderd, of hij behandeld is voor darmkanker of bekend is met inflammatoir darmlijden.

Bevolkingsonderzoek

Met de start van het bevolkingsonderzoek naar darmkanker in Nederland en België wordt een deel van de tumoren en premaligne poliepen tegenwoordig opgespoord door het uitvoeren van een occult-bloedtest (iFOBT). Deze wordt opgestuurd naar patiënten thuis. Na het verzamelen van het ontlastingsmonster kan dit worden opgestuurd voor verdere analyse. Na een afwijkende test worden mensen verwezen naar een coloscopiecentrum. De huisarts wordt geïnformeerd over de testuitslag, voordat de patiënt wordt geïnformeerd. Bij ongeveer 5–8 % van de mensen die een coloscopie ondergaan op basis van een afwijkende test blijkt er sprake te zijn van een carcinoom. Bij een groter percentage gaat het om premaligne poliepen.

Rondom de diagnose

Wanneer uiteindelijk de diagnose darmkanker wordt gesteld, heeft dit grote invloed op het leven van de patiënt en zijn naasten, zowel op de korte als de langere termijn. De betrokkenheid van de huisarts wisselt in de verschillende fases van de ziekte. Zo is de huisarts vaak leidend in (het begin van) de diagnostische fase. De meeste patiënten wenden zich met klachten immers eerst tot de huisarts. Vaak is het ook de huisarts die in de vorm van een slechtnieuwsgesprek (het sterke vermoeden op) de diagnose met de patiënt bespreekt.

Vervolg casus

De huisarts heeft Jaap van Tol verwezen voor een eerstelijnscoloscopie en laat bloedonderzoek doen. Nu zit Van Tol samen met zijn vrouw zenuwachtig tegenover de huisarts om de uitslagen te bespreken. Deze heeft geen goed nieuws; naast een milde microcytaire anemie is er sprake van een circulair groeiende tumor in het sigmoïd. De biopten die tijdens de scopie zijn afgenomen bevestigen dat het om een adenocarcinoom gaat.

Lees verder in: ‘Colorectaal kanker en de rol van de huisarts’, een hoofdstuk uit het boek Oncologie, auteurs: J. Wind, K. Geboes, J. D. W. van der Bilt

Foto: PicScout


Tip

cover  cover  cover

Leidraad huisartsgeneeskunde, H.G.L.M. Grundmeijer e.a.