Het beleid bij wond door honden- of kattenbeet

Door een beet van hond of kat komen micro-organismen van het dierlijke gebit in de wond. Honden veroorzaken door de wijze van bijten en de anatomie van het gebit vooral scheurwonden en ‘crush’letsel; katten veroorzaken diep penetrerende wondjes. Wat is het beleid bij dergelijke wonden?

In een bijtwond treft men gemiddeld drie verschillende soorten micro-organismen aan die afkomstig zijn van de mondflora van het dier. Vaak gaat het om vergroenende streptokokken, Staphylococcus aureus, Pasteurella multocida en Capnocytophaga canimorsus. Iedere krab- of bijtwond, ook die van honden, kan kattenkrabziekte veroorzaken. Hierbij ontstaat proximaal van de krab of beet een regionale lymfadenopathie met microabcessen, waaruit Bartonella henselae (een Rickettsia-soort) gekweekt wordt.

Waarmee komt de patiënt?

Patiënten weten vaak dat een bijtwond ‘vies’ is en vragen zich af of een tetanusinjectie noodzakelijk is om infectie te voorkomen. Bij een scheur- of lapwond wordt ook vaak de vraag gesteld of een hechting noodzakelijk is. Bij oppervlakkige wondjes vraagt de patiënt soms slechts telefonisch advies.

Anamnese

De huisarts vraagt:
■ of het dier ziek was toen het beet;
■ of het gedrag, zich uitend in het bijten, voorspelbaar was;
■ of de patiënt een risicopatiënt is (leeftijd <5 jaar en/of verminderde afweer);
■ of de patiënt een hartklepgebrek heeft.

De diepte van een kattenbeet is moeilijk te bepalen. De sensibiliteit en motoriek moeten getest worden, omdat letsel van zenuw, pees, bot en gewricht mogelijk is. Als de patiënt pas na een tot enkele dagen bij de arts komt, moet deze letten op tekenen van cellulitis en tenosynovitis rondom de wond en op koorts. Bij de kattenkrabziekte zijn pijnlijke regionale lymfomen aanwezig.

Beleid

Wondbehandeling

Wondtoilet is van groot belang. Door gedegen uitspoelen en–waar nodig – debridement wordt de kans op infectie met een factor 20 gereduceerd. Toepassen van lokale anesthesie kan behulpzaam zijn bij het adequaat reinigen. Het aanbrengen van een nat verband gedurende twee dagen vermindert de kans op infectie, waarschijnlijk door een combinatie van verbeterde doorbloeding en drainage. In het algemeen wordt gesteld dat hechtingen ‘de kat in de kelder metselen’ en de kans op infectie bevorderen. Slechts in het gelaat dienen de randen van een wond geapproximeerd te worden, dus losjes gehecht.

Antibiotica

Mede met het oog op de resistentie is het algemene advies om bij een hondenbeet geen antimicrobiële profylaxe toe te passen. Een uitzondering wordt gemaakt voor diepe wonden die moeilijk zijn te reinigen en bij bijtwonden in het gelaat en in de hand. Ook is antimicrobiële profylaxe aangewezen bij verminderde weerstand of een hartklepgebrek. Een kattenbeet heeft een veel groter infectierisico (25-50%) dan een hondenbeet (5-15%). Hierbij is het toedienen van antibiotica wel zinvol.
Amoxicilline/clavulaanzuur gedurende 5 dagen is het middel van eerste keuze. De kattenkrabziekte is een ‘self-limiting disease’. Alleen antibiotica (doxycycline; tot de leeftijd van 8 jaar claritromycine) geven als de patiënt zich ziek voelt en/of koorts heeft.

Rabiës en tetanus

Bij verdenking op rabiës (zeer zeldzaam in Nederland) dient contact te worden opgenomen met de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) of het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) voor eventuele postexpositievaccinatie. Bij een beet door een vleermuis is postexpositievaccinatie altijd (binnen 48 uur) geïndiceerd. Ten slotte moet de patiënt tegen tetanus beschermd zijn. Lees hier meer over het beleid bij dit soort wonden.

Bron: Kleine kwalen bij kinderen, Eekhof e.a.

Foto: Fotolia

Tip

   Differentiële diagnostiek in de interne geneeskunde, Reitsma e.a.